16 Apr 2026
blog

Geschillencommissie volgt vaste gedragslijn bij klachten over Klarna

Blog

Bij Kifid zijn meerdere klachten in behandeling over bij een webshop met een ‘buy now pay later’-krediet gekocht product. In veel gevallen gaat de klacht over het niet terugbetalen van de koopsom door Klarna, een aanbieder van deze kredietvorm. Voor de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening (hierna: ‘de commissie’) was dit aanleiding om een tweetal klachten over zo’n casus uitgebreid te behandelen en de daarin gevolgde lijn in gelijksoortige gevallen als standaard toe te passen.

De eerste uitspraak (GC 2026-0304) had betrekking op de aankoop bij de webshop van Amac, waar klager Airpods Max had besteld voor € 579. Klager stelt de Airpods niet te hebben ontvangen. Klarna overlegde een bewijs van aflevering van PostNL waarin staat dat de bestelling is afgeleverd op het adres van klager. Deze betwistte dat de handtekening op dit bewijs van hem is en weigerde Klarna de gevraagde € 579 te betalen.

 

Bij de andere uitspraak (GC 2026-0305) ging het om de aankoop bij een webwinkel van parajumpers. Klaagster stuurde deze. De webwinkel weigerde deze, omdat niet het juiste artikel zou zijn teruggestuurd. Klarna vorderde betaling van € 251, maar klaagster weigerde daartoe over te gaan en als bewijs van haar handelen overlegde zij het afgiftebewijs van het pakket bij de bezorgdienst, het juiste retourlabel van de webwinkel en de track en trace van de bezorging. De webwinkel overtuigde Klarna er met foto’s en e-mails van dat een overall was geretourneerd in plaats van de bestelde parajumpers.

 

In beide gevallen ging het in de kern om de vraag of klager respectievelijk klaagster Klarna het bedrag van hun aankoop moeten betalen. Vooraleer de commissie inhoudelijk op deze vraag kan ingaan moet deze voorvraag worden beantwoord:

‘Uitgestelde betaling is een vorm van kredietverstrekking. Dat roept de vraag op of dit krediet is uitgezonderd van de Wet op het financieel toezicht (Wft) en de bepalingen over consumentenkrediet opgenomen in titel 2A van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het antwoord op deze vraag is in de eerste plaats relevant voor de vraag of de commissie de klacht kan behandelen. En in de tweede plaats voor de vraag of de informatieplichten van de artikelen 7:60 en 7:61 BW en de in artikel 4:34 Wft bedoelde kredietwaardigheidstoets van toepassing zijn.’

 

Artikel 1:20 lid 1 onder e Wft luidt:

‘Deze wet is niet van toepassing op: (…) financiële diensten met betrekking tot krediet, niet zijnde hypothecair krediet, dat binnen drie maanden dient te worden afgelost en terzake waarvan slechts onbetekenende kosten aan de consument in rekening worden gebracht.’

En artikel 7:58 lid 2 onder e BW luidt in gelijke zin:

‘Deze titel is niet van toepassing op: (…) kredietovereenkomsten zonder rente en andere kosten, en kredietovereenkomsten waarbij het krediet binnen een termijn van drie maanden moet worden terugbetaald en slechts onbetekenende kosten worden aangerekend.’

In beide gevallen staat vast dat het krediet binnen 60 respectievelijk 30 dagen moest worden terugbetaald. De aflossingstermijn valt daarmee binnen de in beide artikelen genoemde aflossingstermijn van drie maanden. De vervolgvraag is of slechts onbetekenende kosten in rekening worden gebracht.

‘Het begrip onbetekenende kosten is afkomstig uit artikel 2 lid 2 onder f van de Richtlijn consumentenkrediet. Over de uitleg van deze bepaling heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie het volgende geoordeeld. Bij beantwoording van de vraag of sprake is van een krediet zonder kosten of een krediet met onbetekenende kosten mogen vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten in beginsel niet in aanmerking worden genomen. Vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten moeten daarbij echter wel in aanmerking worden genomen indien de kredietgever, teneinde een economisch voordeel te verkrijgen, er vanaf de sluiting van de kredietovereenkomst al op anticipeert dat de consument zijn betalingsverplichting niet zal nakomen. Bij de beoordeling of dit zich in een concreet geval voordoet, moet de rechter alle omstandigheden rond de sluiting van de kredietovereenkomst en andere relevante factoren onderzoeken, zoals met name de wettelijke dan wel contractuele aard van de rente en de kosten van niet-nakoming, de termijnen waarbinnen die rente en kosten opeisbaar worden en het bedrag van deze rente en kosten.’

 

Het voorgaande, inclusief de reactie van Klarna leidt er volgens de commissie toe, dat het aan klager respectievelijk klaagster verstrekte krediet niet onder de uitzondering van artikel 1:20i lid 1 onder e Wft en artikel 7:58 lid 2 onder e BW valt. De consequentie daarvan is dat de klacht behandelbaar is, omdat de klacht ziet op een financiële dienst, te weten het aanbieden van krediet. Het voorgaande betekent bovendien dat de kredietovereenkomst onder de reikwijdte van titel 7.2A BW valt en dat de precontractuele informatieverplichtingen en de verplichting om een kredietwaardigheidstoets uit te voeren van toepassing zijn.

 

De commissie is van mening dat Klarna’s verweer niet voldoet. ‘Het lag op de weg van Klarna om niet alleen te stellen, maar ook te onderbouwen dat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst is voldaan aan de artikelen 7:60 en 7:61 BW en dat een kredietwaardigheidstoets is uitgevoerd. Klarna heeft op dit punt weliswaar gesteld dat zij aan deze verplichtingen heeft voldaan, maar heeft dit niet gemotiveerd of met stukken onderbouwd. De commissie houdt het er daarom op dat Klarna niet aan deze verplichtingen heeft voldaan.’

 

De wettelijke informatieverplichtingen en de wettelijke verplichting tot het uitvoeren van een kredietwaardigheidstoets stammen uit de Richtlijn consumentenkrediet. Sancties op het schenden van een bepaling uit de Richtlijn consumentenkrediet moeten doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend zijn.

 

Gezien de ernst van de schendingen acht de commissie volledige vernietiging van de kredietovereenkomst op grond van artikel 3:40 lid 2 BW een passende en noodzakelijke sanctie. Dit leidt ertoe dat de grondslag voor de betaling van het aankoopbedrag en overige kosten door de consument aan Klarna met terugwerkende kracht is komen te vervallen.

 

De commissie verklaart voor recht dat er geen grondslag is voor de betaling van € 579 respectievelijk 251 door klager respectievelijk klaagster aan Klarna ter zake van de kredietovereenkomst en dat, voor zover zij (een gedeelte van) dit bedrag al wel hebben betaald, Klarna dit bedrag binnen vier weken na deze uitspraak aan hen dient terug te betalen.

 

In beide uitspraken wordt voorbijgegaan aan de lezing van de consument, terwijl daar toch vraagtekens bij kunnen worden geplaatst. Dat neemt niet weg, dat Klarna’s handelen uit oogpunt van consumentenbescherming het oordeel van de commissie rechtvaardigt. De door de commissie gesignaleerde tekortkomingen in Klarna’s verweer zal deze aanbieder van ‘buy now pay later’-krediet, lijkt mij, in de toekomst vermijden.

Keywords

Consumentenkrediet
Financieel recht
Informatieplicht
Koop nu betaal later
Kredietovereenkomst
Kredietwaardigheidstoets
Onbetekenende kosten

Auteur(s)

Cees de Jong

Verbonden aan het Amsterdam Centre for Insurance Studies (ACIS) en het Expertisenetwerk voor Financieel Recht (EFR)

LinkedIn