Vennootschappelijke grenzen zijn geen formaliteit: Hoge Raad corrigeert hof bij bestuurdersaansprakelijkheid in concernverband
Blog
Het arrest (Hoge Raad 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:912) verduidelijkt dat bij bestuurdersaansprakelijkheid een scherp onderscheid moet worden gemaakt tussen de verplichtingen van de moedervennootschap (FPA) en die van een dochtervennootschap (Weaver). Het bestuur van een dochtervennootschap is niet zonder meer verplicht de schuldeisers van de moedervennootschap te informeren over of te betrekken bij de afwikkeling van schulden op het niveau van de dochtervennootschap, zeker niet als die dochtervennootschap haar eigen schuldeisers betaalt op een wijze die niet aantoonbaar in strijd is met de wet.
De betrokken partijen en hun onderlinge verhouding
Om te begrijpen wat zich in deze zaak heeft afgespeeld, is het belangrijk eerst de betrokken partijen en hun onderlinge verhouding in kaart te brengen.
Eiser in cassatie is bestuurder van Energieweg. Energieweg was op haar beurt bestuurder van de beleggingsinstelling FPA. Eiser in cassatie was daarmee indirect bestuurder van FPA. Daarnaast was eiser in cassatie ook bestuurder van Weaver B.V., een indirecte dochtermaatschappij van FPA.
In 2007 verstrekte Bank Degroof aan FPA een krediet van € 2 miljoen, terug te betalen op 15 maart 2012. Omdat FPA haar verplichtingen niet nakwam, stuurde Bank Degroof in 2010, 2011 en 2012 ingebrekestellingen. In 2013 liet FPA aan Bank Degroof weten dat zij insolvabel was en niet in staat een passend terugbetalingsvoorstel te doen.
In november 2015 besloot de aandeelhoudersvergadering van FPA — waarvan Bank Degroof ook minderheidsaandeelhouder was — tot afwikkeling van de vennootschap, omdat het eigen vermogen al jarenlang negatief was en geen uitzicht bestond op herstel.
In een eerdere procedure was geoordeeld dat eiser in cassatie, door het initiëren van een herstructurering van het vermogen van Weaver, als bestuurder van Weaver verantwoordelijk was voor het frustreren van de verhaalspositie van Alstonville. Eiser in cassatie werd als bestuurder hoofdelijk – naast Weaver – aansprakelijk gesteld voor de daaruit voortvloeiende schade.
Weaver en eiser in cassatie waren van mening dat het advocatenkantoor dat hen had begeleid bij die herstructurering, daarvoor verantwoordelijk was. Zij stelden het advocatenkantoor aansprakelijk: zij wilden de schadevergoeding die zij moesten betalen aan Alstonville, verhalen op het advocatenkantoor dat hen destijds had geadviseerd.
De kosten van de juridische bijstand voor deze procedure tegen het advocatenkantoor, alsook voor de procedure die Alstonville had geëntameerd, werden gefinancierd door Eikofin (een procesfinancier).
In mei 2018 werd een schikking getroffen tussen eiser in cassatie en Weaver enerzijds en Alstonville anderzijds. Op grond van die schikking zou de eventuele ‘opbrengst’ van de procedure tegen het advocatenkantoor worden gedeeld met Alstonville. Ook Eikofin zou als procesfinancier meedelen in de ‘opbrengst’.
In maart 2018 schelden Eikofin, Energieweg en andere aan eiser in cassatie gelieerde vennootschappen tezamen meer dan € 900.000 aan door hen aan FPA verstrekte leningen kwijt. Daarmee werden de schulden van FPA aan deze gelieerde partijen gesaneerd — Bank Degroof bleef over als enige grote schuldeiser van FPA.
Bank Degroof sommeerde FPA in augustus 2018 om het toen uitstaande bedrag van €2.683.836,28 te betalen, en stelde tegelijkertijd de bestuurders persoonlijk aansprakelijk. FPA heeft niet aan de sommatie voldaan en de bestuurders hebben aansprakelijkheid van de hand gewezen.
In april 2022 troffen Weaver, eiser in cassatie, het advocatenkantoor en Alstonville een schikking: het advocatenkantoor betaalde € 4,3 miljoen. Conform de eerder gemaakte afspraken ontving Alstonville € 2.825.135 en Eikofin € 1.475.135. Bank Degroof ontving niets.
Persoonlijke aansprakelijkheid (indirect) bestuurder FPA
De centrale vraag in deze zaak is of eiser in cassatie als (indirect) bestuurder van FPA persoonlijk aansprakelijk is jegens Bank Degroof. De rechtbank vond van niet. Het hof oordeelde van wel, omdat eiser in cassatie Bank Degroof niet had geïnformeerd over de vordering op het advocatenkantoor en de schikkingsonderhandelingen, terwijl hij tegelijkertijd alles in het werk stelde om zijn eigen aansprakelijkheid jegens Alstonville af te wenden. De ‘opbrengst’ van de schikking met het advocatenkantoor vloeide volledig naar Alstonville en Eikofin — Bank Degroof ving bot.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser in cassatie persoonlijk een ernstig verwijt treft. Het hof heeft niet vastgesteld dat Weaver jegens Bank Degroof verplicht was tot terugbetaling van het krediet. Weaver betaalde simpelweg haar eigen schuldeisers (Alstonville en Eikofin) af. Het hof legt niet uit waarom Weaver de ‘opbrengst’ van de schikking anders had moeten besteden en waarom eiser in cassatie als (indirect) bestuurder van FPA persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de wijze waarop Weaver de ‘opbrengst‘ van de schikking heeft besteed. Tegen die achtergrond acht de Hoge Raad het oordeel van het hof dat eiser in cassatie had moeten zorgdragen voor “een evenwichtige belangenbehartiging van beide resterende schuldeisers binnen de FPA-structuur” onbegrijpelijk. Het hof heeft bij het oordeel ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen de verplichtingen van de moedervennootschap (FPA) en die van de dochtervennootschap (Weaver).
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Gerechtshof Amsterdam en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling.
Relevantie van het arrest
Dit arrest is om meerdere redenen van praktisch belang. In de eerste plaats bevestigt de Hoge Raad dat het enkele feit dat een (indirect) bestuurder actief handelt om zijn eigen aansprakelijkheid af te wenden – en dat schuldeisers van een gelieerde vennootschap daardoor buiten de boot vallen – onvoldoende is voor een persoonlijk ernstig verwijt. De rechter moet concreet en per entiteit motiveren welke vennootschap jegens welke schuldeiser een verplichting had, en of die verplichting op een verwijtbare wijze is geschonden.
In de tweede plaats illustreert deze zaak het gevaar dat de complexiteit van een concernstructuur ertoe leidt dat verplichtingen en verwijten door elkaar gaan lopen. Juist in situaties waarbij meerdere vennootschappen, meerdere schuldeisers en procesfinanciers betrokken zijn, is strikte aandacht voor de afzonderlijke rechtspositie van elke entiteit essentieel.
Voor de praktijk betekent dit dat zowel bestuurders als hun adviseurs er goed aan doen in groepsstructuren steeds per vennootschap te documenteren welke verplichtingen bestaan, welke beslissingen zijn genomen en op welke gronden. Die documentatie is niet alleen van belang voor de interne bedrijfsvoering, maar kan ook in een aansprakelijkheidsprocedure beslissend zijn voor de vraag of een persoonlijk ernstig verwijt kan worden onderbouwd.
Deze publicatie is eerder verschenen op COBE 2026 / B-023
Keywords
Auteur(s)

Advocaat/counsel bij Van Doorne en kerndocent bij de UvA Academie voor Bank en Verzekeringen