Is een verzekerde bij het verhaal van eigen schade gebonden aan een aansprakelijkheidserkenning door zijn WAM-verzekeraar?
Bij beschikking van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:1166) heeft de rechtbank Rotterdam in een deelgeschilprocedure geoordeeld dat een verzekerde met betrekking tot het verhaal van zijn eigen (letsel)schade gebonden was aan de aansprakelijkheidserkenning van zijn WAM-verzekeraar. Naar onze mening laat dit oordeel van de rechtbank zich niet goed verenigen met de vigerende rechtspraak en literatuur. Zie o.a. Hoge Raad van 5 november 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB3865, NJ 1972/37, VR 1972/17; Rb. Zutphen 3 november 2010, ECLI:NL:RBZUT:2010:BO2571; Hof ’s-Hertogenbosch 10 december 1982, ECLI:NL:GSHE:1982:AL7610, VR 1994/8 m.nt. A.J.O. van Wassenaer van Catwijck; J.H. Wansink, De algemene aansprakelijkheidsverzekering, Deventer: Kluwer 2006, p. 391; W.J. van Driel, Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen, aantekening 430.6.
Uitgangspunt is namelijk dat een erkenning van aansprakelijkheid door de WAM-verzekeraar niet aan de verzekerde kan worden tegengeworpen bij het verhaal van zijn eigen schade.
Alvorens het oordeel van de rechtbank Rotterdam te bespreken en nader te duiden, zullen wij eerst kort ingaan op de onderliggende feiten van de zaak.
Waar ging het in deze zaak om?
Op 29 oktober 2021 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een motorrijder (WAM-verzekeraar Bovemij) en een automobilist (WAM-verzekeraar Allianz). Als gevolg van dit ongeval heeft de motorrijder ernstig letsel opgelopen, onder andere bestaande uit een gedeeltelijke amputatie van zijn linkeronderbeen.
Direct na het ongeval heeft de politie de automobilist als getuige gehoord. Van de verklaring van de automobilist is proces-verbaal opgemaakt. Na het ongeval vernam Bovemij dat de motorrijder geen herinnering aan het ongeval had en dus niet bij machte was hierover een verklaring af te leggen. Bij e-mail van 28 februari 2022 heeft Bovemij de belangenbehartiger van de automobilist als volgt bericht:
“Excuses voor de late reactie. Onze verzekerde kan zich niets meer van het ongeval herinneren. Op basis van het schadeformulier van uw cliënte en het politierapport kunnen wij de aansprakelijkheid erkennen.”
De motorrijder is het niet eens met de erkenning van de aansprakelijkheid door Bovemij. Dit heeft hij kenbaar gemaakt door op 2 februari 2023 (dus ongeveer een jaar later) Allianz, als WAM-verzekeraar van de automobilist, aansprakelijk te stellen voor zijn (letsel)schade. Door Allianz is aansprakelijkheid afgewezen. De motorrijder heeft vervolgens de deelgeschilprocedure geëntameerd bij de rechtbank Rotterdam. Door de motorrijder wordt verzocht om voor recht te verklaren dat Allianz aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van het verkeersongeval en dat Allianz gehouden is deze schade te vergoeden.
Oordeel rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam stelt voorop dat voor beoordeling van de aansprakelijkheid van Allianz pas ruimte is als de motorrijder niet gebonden is aan de erkenning van aansprakelijkheid voor het ongeval door Bovemij. In dit kader overweegt de rechtbank dat uit vaste jurisprudentie volgt dat het een aansprakelijkheidsverzekeraar in beginsel niet vrij staat om terug te komen op een jegens een derde gedane erkenning dat haar verzekerde aansprakelijk is. De rechter vult echter aan dat een erkenning door een WAM-verzekeraar de verzekerde niet zonder meer bindt ten aanzien van de claim die de verzekerde bij de wederpartij neerlegt. Daarvoor acht de rechtbank relevant in hoeverre de wederpartij er in de gegeven omstandigheden op mocht vertrouwen dat hij ook de verzekerde aan die erkenning door de verzekeraar kon houden.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht Allianz er in het onderhavige geval gerechtvaardigd van uitgaan dat de e-mail van Bovemij van 28 februari 2022 een erkenning inhield van de aansprakelijkheid voor alle gevolgen van het ongeval en is de motorrijder (dus) ook aan deze erkenning gebonden. Hierbij acht de rechtbank van belang dat Allianz uit de e-mail van 28 februari 2022 heeft mogen opmaken dat Bovemij contact had gehad met de motorrijder, duidelijk was op basis waarvan Bovemij aansprakelijkheid heeft erkend (het schadeformulier van de automobilist en het politierapport), geen voorbehoud is gemaakt met betrekking tot nader te verrichten onderzoek, uit de e-mail van 28 februari 2022 niet blijkt dat Bovemij er enkel vanuit praktisch oogpunt voor gekozen zou hebben de schade van de automobilist te betalen (en niet de discussie aan te gaan over de toedracht van en de aansprakelijkheid voor het ongeval) en de erkenning van Bovemij ongeclausuleerd is. Volgens de rechtbank heeft de motorrijder per saldo onvoldoende gemotiveerd waarom de erkenning van aansprakelijkheid door Bovemij hem niet zou binden. Als het zo zou zijn dat Bovemij ten onrechte aansprakelijkheid heeft erkend en de motorrijder hierdoor nadeel ondervindt, is dat een kwestie tussen Bovemij en de motorrijder waar Allianz buiten staat, aldus de rechtbank.
Nadere duiding
Opvallend is dat de rechtbank Rotterdam in haar oordeel geen aandacht besteedt aan het arrest van de Hoge Raad van 5 november 1971.1 In dit arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een verzekerde wat betreft het verhaal van zijn eigen schade zelfs niet ‘in beginsel’ gebonden is aan het standpunt van zijn WAM-verzekeraar, ook al laat hij de behandeling van de schade van zijn wederpartij zonder enig voorbehoud over aan zijn WAM-verzekeraar. Door de Hoge Raad wordt hierbij benadrukt dat de WAM-verzekeraar een eigen belang heeft bij de afwikkeling van de vordering van de wederpartij, dat niet samenvalt met het belang dat de verzekerde heeft bij de afwikkeling van zijn (tegen)vordering.
Het arrest van de Hoge Raad heeft navolging gekregen in de lagere rechtspraak.2 Ook in de literatuur wordt de benadering van de Hoge Raad onderschreven.3 Die benadering sluit goed aan bij de breed gedragen opvatting dat in de polisvoorwaarden van aansprakelijkheidsverzekeringen opgenomen schaderegelingsclausules aangemerkt moeten worden als last- en/of volmachtsconstructies, waarbij de verzekerden de verzekeraar binnen de grenzen van de last en/of volmacht de bevoegdheid toekennen om de regie te nemen bij de schaderegeling en de benadeelde rechtstreeks schadeloos te stellen.4 Zie in dat verband ook de conclusie van A-G Berger bij het arrest van de Hoge Raad van 5 november 1971, alwaar hij benadrukt dat enkel de WA-schade van de wederpartij onderwerp is van de aansprakelijkheidsverzekering en vervolgens het volgende opmerkt:
“Wanneer al het zonder enig voorbehoud overlaten van de schaderegeling aan de WA-assuradeur een gebondenheid van de verzekerde aan diens standpunt ten aanzien van de aansprakelijkheid van de verzekerde medebrengt, dan zal die gebondenheid toch niet verder kunnen reiken dan de aansprakelijkheid voor de schade met betrekking waartoe de WA-assuradeur in het hem overgelaten zijn van de afwikkeling en regeling een last en volmacht heeft verkregen. Een last en volmacht m.b.t. de door de verzekerde geleden schade kan daar niet in zijn gelegen, omdat, zoals gezegd, die schade buiten de verzekeringsovereenkomst valt.”5
Indien een benadeelde de WAM-verzekeraar enkel op grond van het eigen recht van artikel 6 lid 1 WAM aanspreekt, zou overigens betoogd kunnen worden dat de verzekerde in het geheel niet gebonden is aan het standpunt dat de WAM-verzekeraar inneemt met betrekking tot de aansprakelijkheid. Dit vanuit de gedachte dat de verzekeraar dit standpunt alsdan niet (mede) op basis van een door de verzekerde verstrekte last of volmacht inneemt. De verzekeraar heeft immers enkel een tegen hemzelf ingestelde vordering in behandeling genomen. Voor dit standpunt pleit dat een eventueel tussen de benadeelde en de WAM-verzekeraar te wijzen vonnis (ook) geen gezag van gewijsde krijgt jegens de verzekerde.6
Betekent dit nu dat de verzekerde met betrekking tot het verhaal van eigen schade nimmer gebonden is aan een aansprakelijkheidserkenning door zijn WAM-verzekeraar? Nee, de Hoge Raad laat in zijn arrest van 5 november 1971 namelijk uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat de verzekerde bij zijn wederpartij het vertrouwen kan wekken dat zijn WAM-verzekeraar ook last en/of volmacht heeft om met betrekking tot de eigen schade van de verzekerde aansprakelijkheid te erkennen en – zodoende – afstand te doen van zijn rechten op schadevergoeding jegens de wederpartij. Zie in dit kader ook artikel 3:61 lid 2 BW.
Wat ons betreft dient (grote) terughoudendheid te worden betracht bij het aannemen van dergelijk door de verzekerde opgewekt (gerechtvaardigd) vertrouwen. Van belang in dit verband is dat het doen van afstand van recht een bijzondere rechtshandeling is, die ertoe leidt dat de rechthebbende een goed uit diens vermogen verliest. Dit heeft als consequentie dat aan het vertrouwen van de wederpartij op de schijn van afstand hogere eisen moeten worden gesteld dan in het geval van een willekeurige rechtshandeling.7 De wederpartij mag niet te snel ervan uitgaan dat de wederpartij zijn recht heeft willen prijsgeven, nu dit – in de woorden van A-G Leijten – niet behoort tot de normale menselijke manieren van doen. De meeste mensen staan op hun recht en dan loopt het niet gemakkelijk weg, aldus A-G Leijten.8
In het licht van het vorenstaande menen wij dat (ook) hoge(re) eisen gesteld dienen te worden aan het vertrouwen van de wederpartij op de schijn van lastgeving en/of volmachtsverlening door de verzekerde aan diens WAM-verzekeraar met betrekking tot de eigen schade van de verzekerde. Niet te snel mag worden aangenomen dat de verzekerde zijn WAM-verzekeraar (tevens) de bevoegdheid heeft gegeven om (door middel van een erkenning van aansprakelijkheid) namens hem afstand te doen van een (gepretendeerde) vordering op schadevergoeding jegens een wederpartij. Het enkele feit dat de verzekerde de schaderegeling van de WA-schade zonder enig voorbehoud aan zijn WAM-verzekeraar heeft overgelaten, is hiervoor in ieder geval onvoldoende. Ons inziens geldt dit a fortiori wanneer de door de verzekerde (op grond van het eigen recht van artikel 6 lid 1 WAM) aangesproken wederpartij de WAM-verzekeraar is van de persoon met wie hij in botsing is geraakt. De WAM-verzekeraar weet immers als geen ander dat de eigen schade van de verzekerde buiten diens WAM-verzekering valt. Bovendien zal de betreffende WAM-verzekeraar lang niet altijd (rechtstreeks) betrokken zijn geweest bij de schaderegeling door de WAM-verzekeraar van de verzekerde. Zeker niet wanneer die schaderegeling enkel betrekking had op niet onder de eigen verzekering gedekte (letsel)schade van de persoon waarmee de verzekerde in botsing is gekomen. Dit lijkt ook in het onderhavige geval aan de orde te zijn. De e-mail van Bovemij van 28 februari 2022 was immers niet gericht aan Allianz, maar aan de belangenbehartiger van de automobilist.
Uit de omstandigheden op grond waarvan de rechtbank Rotterdam geoordeeld heeft dat de motorrijder gebonden was aan de aansprakelijkheidserkenning van Bovemij, volgt volgens ons niet dat de motorrijder richting Allianz en/of de automobilist de schijn heeft gewekt dat hij Bovemij (ook) last en/of volmacht had gegeven om met betrekking tot zijn eigen schade aansprakelijkheid te erkennen en afstand te doen van zijn (gepretendeerde) recht op schadevergoeding jegens de automobilist. Naar onze mening heeft de rechtbank Rotterdam ten onrechte aangenomen dat een verzekerde (nader) dient te handelen om te voorkomen dat de wederpartij erop mag vertrouwen dat een aansprakelijkheidserkenning van zijn WAM-verzekeraar hem ook bindt, bijvoorbeeld door erop aan te sturen dat zijn WAM-verzekeraar niet ongeclausuleerd aansprakelijkheid erkent en een uitdrukkelijk voorbehoud maakt met betrekking tot de eigen schade van de verzekerde. Die opvatting achten wij onverenigbaar met het arrest van de Hoge Raad van 5 november 1971.
Overigens lijkt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam niet op zichzelf te staan. In 2024 heeft de rechtbank Rotterdam zich ook uitgelaten over de vraag of een verzekerde gebonden was aan de aansprakelijkheidserkenning van zijn WAM-verzekeraar.9 De rechtbank heeft die vraag toen ontkennend beantwoord. Daarbij achtte de rechtbank van belang dat de verzekerde zelf geen erkenning had gedaan, van begin af aan aansprakelijkheid had ontkend en zijn verzekeraar uitdrukkelijk kenbaar had gemaakt dat hij zich niet kon vinden in het ingenomen standpunt. Dit oordeel is in hoger beroep niet bestreden en dus in stand gebleven.10 Alhoewel wij ons kunnen vinden in de uitkomst van deze procedure, menen wij dat ook hier ten onrechte als uitgangspunt is genomen dat een verzekerde (nader) moet handelen om te bewerkstelligen dat een aansprakelijkheidserkenning van zijn WAM-verzekeraar hem niet tegengeworpen kan worden bij het verhalen van zijn eigen schade.
Aanbeveling voor de praktijk
Naar onze mening volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 5 november 1971 dat een verzekerde met betrekking tot het verhaal van zijn eigen schade in beginsel niet gebonden is aan een erkenning van aansprakelijkheid door zijn WAM-verzekeraar. Wanneer dit uitgangspunt centraal wordt gesteld, kan voorkomen worden dat ten onrechte aangenomen wordt dat een aansprakelijkheidserkenning van de WAM-verzekeraar verhindert dat de verzekerde vergoeding van zijn eigen schade kan vorderen.
Noten
1 Zie Hoge Raad van 5 november 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB3865, NJ 1972/37, VR 1972/17.
2 Zie o.a. rechtbank Zutphen 3 november 2010, ECLI:NL:RBZUT:2010:BO2571; Hof ’s-Hertogenbosch 10 december 1982, ECLI:NL:GHSHE:1982:AL7610, VR 1994/8 m.nt. A.J.O. van Wassenaer van Catwijck.
3 Zie o.a. J.H. Wansink, De algemene aansprakelijkheidsverzekering, Deventer: Kluwer 2006, p. 391; W.J. van Driel, Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen, aantekening 430.6.
4 Zie o.a. Wansink 2006, par. 10.4 en 11.4; J. Derksen, ‘Over schaderegelingsclausules en belangenconflicten’, AV&S 2024/26, par. 2 en 3.1; Asser/Kortmann & Kortmann 3-III 2026/36.
5 Zie Hoge Raad van 5 november 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB3865, NJ 1972/37, VR 1972/17.
6 Zie o.a. J.H. Wansink, Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen, aantekening 335.3; W.C.T. Wetering, T&C Verzekeringsrecht, artikel 9 WAM, aantekening 1.
7 Zie C. Spierings, Afstand van recht (Mon. BW nr. A6a), 2019/17.
8 Zie de conclusie van A-G Leijten bij HR 18 april 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9310, NJ 1987/480, par. 6.
9 Zie rechtbank Rotterdam 14 februari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:992, r.o. 5.20.
10 Zie gerechtshof Den Haag 19 augustus 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2346, r.o. 6.12.
Keywords
Auteur(s)


Advocaat Aansprakelijkheidsrecht & Verzekeringsrecht bij Van Traa Advocaten