14 Apr 2023
blog

De bewijslast bij arbeidsongevallen

Blog

Onlangs werd een tussenarrest van het gerechtshof Den Haag

gepubliceerd in een zaak die speelt tussen Aegon Nederland N.V. en een voormalig werkneemster. Zij was tijdens de werkzaamheden in 2017 in een kantoorgebouw van Aegon van een trap gevallen. Aegon betwistte dat er sprake was van een arbeidsongeval en beriep zich ook op de klachtplicht. De centrale vraag die het hof in dit arrest behandelt gaat over de bewijslastverdeling, oftewel: wie bewijst wat?

De feiten in deze zaak

Het hoger beroep werd ingesteld door Aegon als (voormalig) werkgever van werkneemster. Zij was op 1 april 2017 in dienst getreden bij Aegon. Kort na indiensttreding, op 3 oktober 2017, kwam werkneemster in een trappenhuis van het kantoorpand van Aegon ten val. Ze bezocht hiervoor direct de huisarts en de SEH. Daar werd genoteerd dat zij door onbekende oorzaak van de trap was gevallen en onder andere een hersenschudding had opgelopen en even buiten bewustzijn was geweest. Werkneemster hervatte in januari 2018 haar werk in aangepaste werkzaamheden maar tot hervatting van haar eigen werkzaamheden kwam het niet. UWV keurde werkneemster uiteindelijk geheel af.

 

Op grond van de Risico Inventarisatie en Evaluatie van Aegon (RI&E) moesten bedrijfsongevallen worden geregistreerd en worden geanalyseerd door Aegon.

Dit was na het ongeval op 3 oktober 2017 niet gebeurd. Een collega van werkneemster bevestigde in een e-mail van 6 maart 2019 aan haar dat er in het trappenhuis van het gedeelte van het pand van Aegon waar hijzelf werkte meerdere bijna-ongelukken waren gebeurd en er sprake was van losse/omhoog staande treden. Ook was het trappenhuis zeer stoffig. Het ging hierbij wel om een ander trappenhuis dan waar werkneemster ten val was gekomen.

 

Werkneemster stelde Aegon op 27 maart 2019 aansprakelijk voor de gevolgen van de val op grond van artikel 7:658 BW. Aegon wees de aansprakelijkheid af. In een procedure bij de kantonrechter Den Haag die volgde stelde deze de werkneemster in 2021 in het gelijk en verklaarde voor recht dat Aegon aansprakelijk is voor de schade van werkneemster ten gevolge van de val. Hierbij overwoog de kantonrechter dat het bij Aegon bekend was dat werkneemster van de trap was gevallen en haar werkzaamheden niet meer kon uitvoeren zodat een beroep op de klachtplicht werd afgewezen. Ook verweet de kantonrechter Aegon dat zij in strijd met de RI&E had nagelaten na het ongeval onderzoek te doen naar de oorzaak en toedracht daarvan en ook de trap niet had onderzocht. Door Aegon waren ook geen voldoende concrete gegevens overgelegd over inspectie en schoonmaak van de trap en dus had Aegon de naleving van haar zorgplicht niet aangetoond.

 

Het oordeel van het hof

Aegon stelde hoger beroep in tegen de uitspraak hetgeen leidde tot het tussenarrest dat in dit blog centraal staat. In deze uitspraak volgt het gerechtshof in grote lijnen het oordeel van de kantonrechter.

Allereerst oordeelt het hof dat werkneemster schade heeft geleden in de uitoefening van de werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 7:658 BW.

Zij was immers tijdens het voorval op 3 oktober 2017 in het kantoor van Aegon aan het werk en nam de trap om naar een vergadering op een andere verdieping te gaan. Artikel 7:658 BW is dus, anders dan door Aegon aangevoerd, wel degelijk van toepassing.

 

Ook het standpunt van Aegon dat er geen sprake zou zijn geweest van een arbeidsongeval maar van een onwelwording die los staat van de arbeidsomstandigheden wordt door het hof verworpen omdat getuigenbewijs ontbrak, verklaringen namens Aegon waren opgesteld door niet-medisch geschoolden en het medisch dossier meer aanknoopte bij een val.

 

Het hof overweegt ook dat het feit dat het voorval plaatsvond in het trappenhuis voldoende aanleiding voor Aegon had moeten vormen om het voorval als een mogelijk bedrijfsongeval aan te merken en een daarbij passend onderzoek te doen naar de mogelijke oorzaken. Ook op grond van de RI&E, had Aegon de verplichting tot analyse van dit voorval.

 

Ook Aegons beroep op de klachtplicht wordt verworpen evenals de stelling dat het causaal verband tussen ongeval en arbeidsomstandigheden te vaag was omdat dit criterium alleen bij beroepsziekten van toepassing is en niet bij arbeidsongevallen. Werkneemster hoeft in deze situatie enkel te stellen en bij betwisting te bewijzen dat zij in de uitvoering van de werkzaamheden schade heeft geleden en hoeft hierbij niet de exacte toedracht te bewijzen.

De werkgever ontkomt in die situatie dan enkel aan aansprakelijkheid wanneer hij aantoont dat alle veiligheidsmaatregelen zijn genomen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd. Aan deze bewijslast zal een werkgever niet snel voldoen.

 

De conclusie in het tussenarrest is dus dat werkneemster erin is geslaagd om te stellen en te bewijzen dat zij in de uitvoering van de werkzaamheden schade had geleden. Daarmee is Aegon aansprakelijk, tenzij zij haar beroep op naleving van de zorgplicht kan bewijzen, hetgeen vooralsnog niet vaststaat, aldus het hof. Het hof oordeelt namelijk dat nog niet vaststond dat zij alle veiligheidsmaatregelen had genomen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd om ongevallen als deze te voorkomen.

Daarbij speelde dat de stellingen van Aegon in beide procedures over de zorgplichtnaleving een zeer algemeen karakter hadden en de mogelijkheid openlieten dat tijdens het voorval iets met het trappenhuis aan de hand was.

Ook een e-mail van een collega van werkneemster uit 2019 over de onveilige situatie in een ander trappenhuis van Aegon was hierbij onvoldoende weersproken.

 

Omdat Aegon een zeer uitgebreid bewijsaanbod had gedaan geeft het hof Aegon de kans om nog bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat zij alle veiligheidsmaatregelen had getroffen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd om ongelukken als deze te voorkomen en van feiten en omstandigheden waaruit kan volgen dat ten tijde van het ongeval sprake was van een veilige situatie in het trappenhuis. Ook hier is te zien hoe verstrekkend deze bewijslast is en dat, bij niet naleving van de geldende regels na het voorval, het vrijwel onmogelijk is om dit in een procedure nog met succes te (re)pareren.

 

Conclusie

Artikel 7:658 BW betreft een schuldaansprakelijkheid die in de rechtspraktijk is geëvolueerd tot een (nog niet gecodificeerde) eigen vorm van risicoaansprakelijkheid, in elk geval wat betreft bedrijfsongevallen. Bij bedrijfsongevallen is namelijk te zien dat de werknemer hier – anders dan bij schuldaansprakelijkheid – een beperkte stelplicht en bewijslast heeft en wanneer hij hieraan voldoet de werkgever

vervolgens een zware stelplicht en bewijslast heeft om aan te tonen dat deze desondanks zijn zorgplicht is nagekomen. Ook in deze zaak bleek opnieuw dat onzekerheden over de feitelijke toedracht bij bedrijfsongevallen voor rekening en risico van de werkgever komen. De zorgplicht van de werkgever wordt hierbij mede ingevuld aan de hand van geschreven normen, zoals in de Arbeidsomstandighedenwet en cao’s. Ook de RI&E speelt hierbij een rol. Het feit dat de werkgever die in deze zaak niet had nageleefd en de naleving van de zorgplicht onderbouwde met algemene stellingen laat vermoeden dat de kans groot is dat het vonnis van de kantonrechter in deze zaak uiteindelijk door het hof zal worden bekrachtigd.

Keywords

Aansprakelijkheidsrecht
Arbeidsongeval
Bewijslast
Burgerlijke rechtsvordering
Stelplicht
Verbintenissenrecht
Werkgeversaansprakelijkheid
Zorgplicht

Auteur(s)

Dirk van der Wulp

Advocaat aansprakelijkheid/letselschade bij Jeroen Bosch Advocaten te 's-Hertogenbosch

LinkedIn