23 Jul 2025
blog

WAM-verzekeraar weigert onterecht uitkering, ondanks opzettelijke misleiding en schending waarheidsplicht derde benadeelde

Blog

In een arrest van 4 juli 2025 heeft de Hoge Raad geoordeeld over de vraag of Allianz als WAM-verzekeraar gehouden is om tot uitkering over te gaan. Het beroep op uitkering werd gedaan door eiseres, die als passagier ernstig letsel heeft opgelopen bij een eenzijdig verkeersongeval met een auto. Bijzonder aan deze procedure is dat eiseres zich schuldig zou hebben gemaakt aan opzettelijke misleiding en haar waarheidsplicht heeft geschonden jegens Allianz. Allianz weigert vervolgens op die gronden uitkering aan eiseres, maar die stelt dat zij als benadeelde ondanks die verwijten wel degelijk aanspraak maakt op vergoeding.

Inleiding

In januari 2019 is eiseres betrokken geraakt bij een eenzijdig verkeersongeval met een personenauto. Als gevolg hiervan liep zij ernstig letsel op en is zij rolsstoelafhankelijk geworden. In de nasleep van dit ongeval stelt eiseres Allianz als WAM (Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen)-verzekeraar aansprakelijk voor de schade als gevolg van het ongeval.

Gedurende het door Allianz ingestelde onderzoek naar de omstandigheden van het ongeval bleek dat eiseres naast inzittende ook feitelijk eigenaar van de auto was; dat zij de auto op naam van iemand anders heeft gezet en bovendien op naam van die derde (online) een verzekering voor de auto had aangevraagd. Kennelijk heeft eiseres de verzekeringsaanvraag gedaan op naam van een betrokken derde omdat zij vermoedde dat Allianz de verzekering aan eiseres zou weigeren, nu dat al eerder was gebeurd. Saillant detail is dat de auto ten tijde van het ongeval werd bestuurd door de zus van eiseres, die zelf niet in het bezit was van een geldig rijbewijs en na het ongeval het rijbewijs van eiseres heeft getoond. Ook na het ongeval bleef eiseres misleidende, tegenstrijdige verklaringen afleggen door zich onder andere voor te doen als verzekerde tijdens telefoongesprekken met Allianz. Allianz heeft in oktober 2020 eiseres geïnformeerd dat sprake is van verval van recht op de uitkering onder de WAM-verzekering omdat eiseres zich schuldig zou hebben gemaakt aan bedrog, opzettelijke misleiding en schending van de waarheidsplicht. Allianz heeft in dat verband ook een beroep gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.

 

De rechtbank en het gerechtshof

De rechtbank Noord-Nederland heeft in het kader van een deelgeschilprocedure bij beschikking van 25 november 2021 bepaald dat Allianz gehouden is dekking te verlenen. Hiertegen wordt met toestemming van de rechtbank tussentijds hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de beschikking bij arrest vernietigd en de vordering afgewezen. Het gerechtshof rekent het eiseres aan dat zij niet alleen de aanvraag voor de WAM-verzekering heeft gedaan op naam van een betrokken derde, maar ook namens die betrokken derde de vragenlijst onjuist heeft ingevuld terwijl zij wist dat Allianz geen verzekering met eiseres zou aangaan als eiseres de aanvraag zelf zou hebben gedaan en de vragenlijst zelf naar waarheid zou hebben ingevuld. Volgens het hof staat vast dat Allianz de WAM-verzekering niet zou hebben gesloten als zij bekend was met de waarheid. Op grond van artikel 7:930 lid 5 BW heeft Allianz terecht uitkering geweigerd. Uit dat artikel volgt dat geen uitkering is verschuldigd aan de verzekeringnemer of de derde bedoeld in artikel 7:928 lid 2 BW die heeft gehandeld met het opzet om de verzekeraar te misleiden. Het hof oordeelt dat verval van recht van de derde (hier eiseres) enkel aan de orde kan zijn als die derde heeft gehandeld met het opzet tot misleiden. Daarvan is hier sprake, aldus het hof. Na de aanvankelijke weigering van Allianz van een WAM-verzekering voor de auto heeft eiseres die met betrekking tot de derde betrokkene alsnog tot stand gebracht op naam van een ander waarbij de mededelingsplicht is geschonden.

 

Allianz wordt bovendien gevolgd in haar stelling dat artikel 11 WAM niet in de weg staat aan het inroepen van de verzekeringsrechtelijke sancties door Allianz jegens eiseres omdat zij niet als een derde-benadeelde kan worden aangemerkt. Een derde-benadeelde in de zin van artikel 11 WAM is een benadeelde die niets van doen heeft met de verzekeringsrechtelijke verhouding tussen de verzekerde en de verzekeraar maar de feiten in deze zaak maken juist – aldus Allianz – dat eisers niet valt aan te merken als derde-benadeelde.

 

Ten overvloede volgt het hof Allianz in haar stelling dat de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:2 lid 2 BW in de weg staan aan uitkering nu voorkomen moet worden dat eiseres profiteert van de op dat profijt gerichte bedrieglijke constructie.

 

De Hoge Raad

In cassatie klaagt eiseres primair over het oordeel van het hof dat artikel 11 WAM niet in de weg staat aan het inroepen van de verzekeringsrechtelijke sancties door Allianz jegens eiseres. Eiseres meent dat zij juist valt onder de definitie van ‘benadeelde’ in de zin van artikel 1 WAM, dat zij op grond van artikel 6 WAM een eigen recht tot schadevergoeding heeft en dat Allianz ex artikel 11 WAM onterecht een beroep heeft gedaan op verval van recht.

 

De Hoge Raad gaat eerst uitvoerig in op de bepalingen uit Richtlijn 2019-103 (‘WAM-Richtlijn’) en op de implementatie daarvan in de Nederlandse Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Uit artikel 12 lid 1 WAM-Richtlijn volgt dat de WAM-verzekering de aansprakelijkheid moet dekken voor lichamelijk letsel van de inzittenden van een voertuig, met uitzondering van de bestuurder. Het HvJ EU legt er in haar rechtspraak ook de nadruk op dat het gaat om een onderscheid tussen bestuurder van het voertuig en andere inzittenden, niet tussen de eigenaar van het voertuig en inzittenden (zie HvJ EU 30 juni 2005, ECLI:EU:C:2005:417 (Candolin)). Inzittenden kunnen dus aanspraak maken op uitkeringen die door de WAM-verzekering worden gedekt op grond van artikel 3 WAM-Richtlijn.

 

Dit onderscheid speelt een rol in de zaak van het HvJ EU Matmut waarin is bepaald dat op het moment dat de verzekeringnemer bij het verkeersongeval als inzittende in het voertuig zat, dit niets verandert aan zijn hoedanigheid als derde-slachtoffer in de zin van artikel 13 lid 1 WAM-richtlijn. Tevens vormt het feit dat de verzekering is afgesloten op basis van onjuiste verklaringen geen uitzondering voor de schadevergoedingsverplichting voor de verzekeraar (zie HvJ EU 29 september 2024, ECLI:EU:C:2024:761 (Matmut)).

 

De Hoge Raad oordeelt dat, ongeacht of een inzittende kan worden aangemerkt als bekende derde ex artikel 7:928 lid 2 BW er moet zijn voldaan aan het benadeelde-vereiste volgend uit artikel 1 WAM om te kunnen beschikken over een eigen recht op schadevergoeding jegens de verzekeraar ex artikel 6 WAM. Op grond van artikel 11 lid 1 WAM kan de verzekeraar hier geen verzekeringsrechtelijke bepalingen of uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeiende nietigheid, verweer of verval tegenwerpen.

 

De Hoge Raad past de rechtsregels uit de Matmut-zaak toe en oordeelt dat de uitspraak van het gerechtshof in dit geval berust op een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de Hoge Raad is er in de verhouding tussen de benadeelde en de WAM-verzekeraar geen algemene buitenwettelijke regel dat bij opzettelijke misleiding van de verzekeraar door de benadeelde na verwezenlijking van het risico het eigen recht van de benadeelde op grond van artikel 6 WAM vervalt. In die verhouding is evenmin plaats voor een algemene buitenwettelijke regel dat de verzekeraar geen uitkering verschuldigd is aan de derde indien niet aan de precontractuele mededelingsplicht betreffende die derde is voldaan, ook niet als die derde heeft gehandeld met het opzet tot misleiding van de verzekeraar.

 

Redelijkheid en billijkheid

Het oordeel van het hof ziet er ook op dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om over te gaan tot uitkering aan eiseres op grond van artikel 6 WAM. De klacht tegen dit oordeel strekt ertoe dat het hof zou miskennen dat door de dwingende werking van artikel 6 en 11 WAM er een grote mate van terughoudendheid moet bestaan bij toepassing van de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:2 BW.

 

Het HvJ EU heeft bepaald dat uitkering van WAM-schadevergoeding alleen kan worden geweigerd wanneer het EU-recht wordt misbruikt. Hiervoor moet zijn voldaan aan een objectief en subjectief criterium. Het objectieve criterium strekt ertoe dat, ondanks dat formeel gezien het Unierecht wordt nageleefd, het beoogde doel niet wordt behaald. Het subjectieve criterium strekt ertoe dat het ook de bedoeling van de persoon moet zijn geweest om op kunstmatige wijze Unierechtelijk voordeel te verkrijgen (zie HvJ EU 21 december 2023, ECLI:EU:C:2023:1014 (BMW Bank e.a.)).

 

De Hoge Raad overweegt dat aan beide criteria niet is voldaan. Eiseres is slachtoffer van een verkeersongeval en verlangt als gevolg daarvan schadevergoeding, dit sluit aan op het door de WAM-richtlijn beoogde doel van bescherming van verkeersslachtoffers en is derhalve niet voldaan aan het objectieve criterium. Wat betreft het subjectieve criterium zijn de onjuiste verklaringen afgelegd met het doel om een WAM-verzekering te verkrijgen en niet om zich op artikel 11 WAM te kunnen beroepen. Van misbruik van Unierecht is geen sprake. De Hoge Raad overweegt dat daardoor evenmin ruimte bestaat voor toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:2 lid 2 BW.

 

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof en verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing. Anders dan de A-G heeft overwogen doet de Hoge Raad de zaak niet ex artikel 420 jo. 421 Rv zelf af.

 

Conclusie

Ondanks dat eiseres als derde Allianz heeft misleid en niet heeft voldaan aan de wettelijke mededelingsplicht, heeft eiseres recht op uitkering onder de WAM-verzekering. Er bestaan geen algemene buitenwettelijke regels die maken dat Allianz wegens die omstandigheden in de verhouding tussen verzekeringnemer en verzekeraar het beroep op uitkering van een derde niet kon weigeren. Die weigering heeft geen wettelijke grondslag en is niet in lijn met de bepalingen in de WAM-richtlijn. In cassatie is het beroep van Allianz op eigen schuld onbesproken gebleven, maar uit het arrest volgt dat het verwijzingshof daar nog over zal moeten oordelen.

 

Keywords

Aansprakelijkheidsrecht
Derde benadeelde
Opzettelijke misleiding
Verbintenissenrecht
WAM-verzekering

Auteur(s)

Niek van Barschot

Advocaat bij Van Iersel Luchtman Advocaten

LinkedIn

Anouk van Iersel

Student-stagiaire bij Van Iersel Luchtman Advocaten

LinkedIn