De Nederlandse advocaat over de grens: een beroepsfout is zo gemaakt
Blog
Een Nederlandse advocatenkantoor dat beschikt over specifieke kennis over Duits recht wordt aangesproken, omdat zij verschillende beroepsfouten zou hebben gemaakt in gevoerde procedures in Duitsland. Het hof Amsterdam is bij tussenarrest tot de voorlopige conclusie gekomen dat het advocatenkantoor inderdaad een aantal beroepsfouten heeft gemaakt. In het eindarrest hoeft alleen nog te worden beslist over de vraag of er tijdig geklaagd is door de appelanten (artikel 6:89 BW). Wanneer dit het geval is en er dus aansprakelijkheid wordt vastgesteld, dient de schade te worden begroot.
De appellanten, twee Nederlandse vennootschappen, hadden in Duitsland samen met een zakenpartner geïnvesteerd in meerdere windparken en deze ondergebracht in Duitse commanditaire vennootschappen (KG’s). Via een vaststellingsovereenkomst uit 2013 werd beoogd deze samenwerking te beëindigen. Toen duidelijk werd dat hun voormalige zakenpartner vermoedelijk zijn verplichtingen niet zou nakomen, schakelden zij Bavelaar in – een advocatenkantoor met expertise over Duits recht – om onder meer conservatoir beslag te leggen en juridische herstructureringen door te voeren.
Bavelaar legde inderdaad beslag, organiseerde aandeelhoudersvergaderingen en startte procedures om de voormalige zakenpartner uit zijn bestuursfuncties te ontslaan en appellanten (indirect) de zeggenschap over de windparken te geven. De uitvoering daarvan liep echter op meerdere fronten spaak, met tal van nietig verklaarde besluiten en vergeefse gerechtelijke procedures tot gevolg.
In het tussenarrest van 17 december 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:3495) oordeelde het hof dat het beroep van Bavelaar op de klachtplicht (artikel 6:89 BW) niet zonder meer opging. Bavelaar voerde aan dat er te laat is geklaagd – de eerste formele aansprakelijkstelling dateert van april 2016 – maar het hof achtte het nodig dat partijen dit standpunt nader zouden toelichten. Daarbij gaf het hof alvast een voorlopig inhoudelijk oordeel over de gestelde beroepsfouten, uitgaande van het scenario dat het beroep op de klachtplicht zou falen.
Het hof nam de bekende maatstaf van de redelijk bekwame en redelijk handelende vakgenoot als uitgangspunt. Daarbij overwoog het hof dat bij suboptimaal procederen minder snel aansprakelijkheid wordt aangenomen dan bij het ongebruikt laten verstrijken van een termijn. Bij suboptimaal procederen moet sprake zijn van duidelijk ondermaats optreden.
Het hof kwam op meerdere punten tot de conclusie dat Bavelaar de genoemde norm had geschonden. Met name bij de voorbereiding van aandeelhoudersbesluiten heeft het hof geoordeeld dat Bavelaar op meerdere fronten ernstig tekort is geschoten. De kern van de verwijten betreft het niet naleven van formele vereisten onder het Duitse vennootschapsrecht, wat leidde tot nietigverklaring van besluiten door de Duitse rechter. Zo werden in januari 2014 besluiten tot ontslag van de bestuurder en benoeming van zijn opvolger buiten vergadering genomen, terwijl dat volgens de Duitse GmbHG niet is toegestaan. Ook in latere pogingen om besluiten door de aandeelhoudersvergadering te laten nemen werden fouten gemaakt, zoals het hanteren van te korte oproepingstermijnen, het niet laten ondertekenen van brieven door alle aandeelhouders, het benoemen van verkeerde aandeelhouders en onjuiste of ontbrekende volmachten. In plaats van deze gebreken te herstellen, werd in meerdere gevallen hoger beroep ingesteld tegen afwijzende vonnissen, zonder dat dit ook maar enige kans van slagen had. Deze nodeloze procedures hebben de appelanten op een hoop kosten gejaagd, die makkelijk voorkomen hadden kunnen worden.
Een ander belangrijk punt betrof het inschrijven van besluiten in het Duitse Handelsregister. Bavelaar verzocht herhaaldelijk om inschrijving van besluiten waarvan zij had moeten weten dat ze ongeldig waren. Deze verzoeken werden dan ook afgewezen. De daartegen ingestelde (spoed)procedures achtte het hof dan ook onnodig en op voorhand kansloos. Door deze opeenstapeling van fouten vond het hof dat er sprake was van duidelijk ondermaatse optreden, en daarmee in strijd met de zorgplicht van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat.
In het eindarrest van 24 juni 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:1622) concludeert het hof dat het beroep van Bavelaar op artikel 6:89 BW faalt. Van belang daarbij was dat de werkzaamheden doorliepen tot november 2015, dat de klacht op 1 april 2016 is ingediend, en dat Bavelaar onvoldoende had onderbouwd hoe zij in haar verdediging daadwerkelijk is geschaad.
Vervolgens gaat het hof over tot het schatten van de schade. Waar appellanten de kosten van correcte uitvoering op ca. € 19.000 hadden geschat, hield het hof rekening met een realistischere inzet van 100 uur tegen € 400 per uur (plus kantooropslag), uitkomend op € 51.304. Vergeleken met de werkelijk gemaakte kosten van ruim € 404.000 werd de schade als gevolg van de beroepsfouten bij de aandeelhoudersbesluiten begroot op € 333.727,90. Daarnaast wees het hof ook de schade in de vorm van alle proceskostenveroordelingen van € 36.074,20 toe en de kosten voor de mislukte handelsregisterinschrijvingen van € 6.678,65. Alleen de gevorderde vertaalkosten van € 14.359,99 werden afgewezen. De totale schadevergoeding kwam daarmee uit op € 379.480,75, vermeerderd met wettelijke rente vanaf september 2019.
Bavelaar deed nog vergeefs een beroep op haar algemene voorwaarden: volgens de aansprakelijkheidsbeperking zou haar aansprakelijkheid beperkt zijn tot het bedrag dat de verzekeraar uitkeert, of – bij niet-uitkering – tot maximaal € 50.000. De verzekering zou geen restitutie van declaraties uitbetalen, waardoor de aansprakelijkheid hier dus beperkt zou zijn op € 50.000. Daar ging het hof niet in mee. Hier was namelijk geen sprake van restitutie van de declaraties, maar van een vordering uit hoofde van wanprestatie. Daarbij heeft Bavelaar niets gesteld over de daadwerkelijke uitkering door de verzekeraar, waardoor haar dus geen beroep op de aansprakelijkheidsbeperking toekwam. Ook het beroep op matiging of eigen schuld aan de zijde van appellanten werd afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.
Deze arresten tonen aan dat voorzichtigheid bij grensoverschrijdende advisering door advocaten geboden is. Het blijkt maar weer dat procedures in andere landen heel anders zijn ingericht. Het kan voor Nederlandse advocaten lastig zijn om de vereisten van deze procedures helemaal te ontwaren. Zelfs – of juist – wanneer een kantoor zich als expert op het rechtsstelsel van dit land presenteert, kan er een hoop misgaan en is zorgvuldigheid geboden. Ook dan is de norm van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot immers onverkort van toepassing, zo laten deze arresten zien.
