Onterechte uitkering door verzekeraars na misleiding en schending inlichtingenplicht door verzekerde
Blog
Op 1 april 2025 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch arrest gewezen over de vraag of een uitkering uit hoofde van een aansprakelijkheidsverzekering al dan niet onterecht is voldaan aan verzekerde (hierna: ‘appellant’). Appellant heeft zich schuldig gemaakt aan schending van de inlichtingenplicht ex artikel 7:941 BW door het aanleveren van onjuiste en niet-volledige informatie. Omdat dit pas aan het licht kwam nadat verzekeraar Nationale Nederlanden tot uitkering was overgegaan, vordert Nationale Nederlanden terugbetaling van het onverschuldigd betaalde bedrag. Appellant weigert echter vrijwillig tot terugbetaling over te gaan.
Inleiding
In mei 2021 meldt appellant schade en verzoekt hierop een uitkering uit hoofde van zijn aansprakelijkheidsverzekering. Deze verzekering heeft hij afgesloten bij verzekeraar Nationale Nederlanden (hierna: ‘NN’). Appellant stelt schade te hebben veroorzaakt aan de televisie van zijn vriendin, maar geeft tegenstrijdige verklaringen over de omstandigheden waaronder de schade is ontstaan. NN besluit, mede vanwege het feit dat appellant al lange tijd verzekerd is bij NN en dit zijn eerste schadeclaim betreft, hem het voordeel van de twijfel te geven en gaat over tot uitkering van de dagwaarde van de televisie.
Na uitkering meldt appellant zich opnieuw bij NN met andere schadeclaims aan onder andere een soundbar en een dressoir, waarvoor hij eveneens vergoeding wenst. Hierover verklaart appellant opnieuw tegenstrijdig en levert hij niet-volledige informatie aan. NN besluit hierop een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden van het geval en concludeert dat appellant onware informatie en verklaringen heeft verstrekt.
NN vordert hiertoe de uitbetaalde uitkering en overige gemaakte kosten terug. Aangezien appellant niet vrijwillig overgaat tot terugbetaling begint NN een procedure bij de kantonrechter.
De kantonrechter
De kantonrechter volgt het standpunt van NN dat zij door onsamenhangende en onware informatie van appellant opzettelijk is misleid. De kantonrechter is van oordeel dat NN ruimschoots heeft voldaan aan haar stelplicht en bewijslast en wijst alle vorderingen van NN toe. Appellant wordt veroordeeld tot terugbetaling van de uitkering en het vergoeden van de overige gemaakte kosten en de proceskosten.
Het gerechtshof
Appellant gaat in hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter en voert hiertoe vier grieven aan. Appellant heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van de kantonrechter, tot het afwijzen van de vorderingen van NN en het veroordelen van NN in alle proceskosten. NN weerspreekt de grieven en vordert bekrachtiging van het uitgesproken vonnis en veroordeling van de appellant tot de proceskosten in hoger beroep.
Opmerkelijk is dat appellant niet verschenen is tijdens de mondelinge behandeling bij het hof zonder daartoe deugdelijke redenen te hebben. De raadsman van appellant verzoekt het hof tot aanhouding van de zaak, maar het hof acht voortgang van de procedure van belang en wijst het verzoek af.
Het hof gaat over tot behandeling van de zaak en haalt hiertoe ten eerste artikel 7:941 lid 2 BW aan. Uit artikel 7:941 lid 2 BW vloeit voort dat een verzekeringnemer en een tot uitkering gerechtigde verplicht zijn om binnen redelijke termijn de verzekeraar alle informatie te verschaffen die van belang is om zijn uitkeringsplicht te beoordelen. Uit artikel 7:941 lid 5 BW volgt dat het recht op uitkering vervalt als de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde de informatieplicht niet is nagekomen met het opzet om de verzekeraar te misleiden, behoudens voor zover die misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt. Uit vaste rechtspraak volgt dat het hierbij gaat om de vraag of een verzekeringnemer/een tot uitkering gerechtigde de bedoeling heeft gehad om de verzekeraar door middel van opzettelijke misleiding te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die hij zonder de schending van artikel 7:941 lid 2 BW niet zou hebben verstrekt (zie HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:311, r.o. 3.1.5.).
In eerste aanleg is reeds vast komen te staan dat NN aan haar stelplicht en bewijslast heeft voldaan. Appellant grieft hiertegen door te stellen dat hij, ondanks zijn kennelijke laaggeletterdheid, in voldoende mate naar waarheid heeft verklaard over het ontstaan van de schade.
Het hof heeft appellant derhalve verzocht om tijdens de mondelinge behandeling een nadere toelichting te geven op de door NN aangeleverde bewijsmiddelen. Appellant heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een tweetal producties overgelegd als toelichting, maar die toelichting is door NN gemotiveerd betwist.
Alle genoemde omstandigheden leiden tot het oordeel van het hof dat het recht op uitkering van appellant door zijn misleidend handelen is komen te vervallen. NN heeft blijkens het hof voldoende aan haar stelplicht voldaan en appellant heeft in het kader van zijn betwisting geen feiten en omstandigheden aangevoerd die zouden kunnen rechtvaardigen dat appellant zijn inlichtingenplicht jegens NN niet heeft geschonden. Het hof neemt de stellingen van NN, gelet op artikel 149 lid 1 Rv, als vaststaand aan door de ontoereikende betwisting aan de zijde van appellant. NN had voldoende aanleiding om een deskundige in te schakelen voor nader onderzoek naar de omstandigheden van het geval, dus de grieven gericht tot afwijzing van de vorderingen ten aanzien van de overige kosten falen ook.
Het hoger beroep van de appellant slaagt niet: het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt appellant in de proceskosten in hoger beroep.
Conclusie
NN heeft, in haar hoedanigheid als verzekeraar, onterecht een uitkering uit hoofde van de aansprakelijkheidsverzekering voldaan aan appellant als gevolg van misleiding door appellant. Uit de door NN aangedragen stukken blijkt voldoende dat appellant onjuiste informatie heeft verstrekt en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de toedracht van de schadeveroorzakende gebeurtenis. Daarmee heeft NN voldaan aan haar stelplicht, terwijl appellant onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Het hof veroordeelt appellant tot terugbetaling van de uitkering en vergoeding van alle overige (proces-)kosten.
Keywords
Auteur(s)
