Vrijwaring biedt geen vrijbrief
Blog
Door de storting van 11.000 ton granulaat is het raadhuis van de gemeente Haarlemmermeer verzakt, waardoor de gemeente schade heeft geleden. De gemeente heeft in eerste aanleg meerdere bij de bouw en de storting betrokken partijen gedagvaard. Uiteindelijk heeft de rechtbank voor recht verklaard dat Sugar City Investments B.V. (SCI) aansprakelijk is voor de geleden schade. De rechtbank heeft tevens geoordeeld in twee vrijwaringszaken. Het oordeel in die procedures luidde dat SCI de aansprakelijkheid niet door kon leggen aan Neptune Amsterdam B.V. (Neptune). SCI komt tegen (al) deze oordelen in hoger beroep. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 23 september 2025 over die vorderingen geoordeeld.
Voor de feiten moeten we terug naar het vonnis van de rechtbank. SCI was tot 2018 eigenaar van zes percelen. Deze percelen heeft SCI reeds in 2012 verkocht aan Neptune, dat een outletcentrum op de grond wil realiseren. SCI heeft zich ertoe verbonden de grond op te leveren als geschikt bouwterrein. SCI zou daarbij de aanwezige opstallen slopen en de grond saneren.
In het kader van de daarvoor benodigde werkzaamheden heeft SCI opdracht gegeven aan een derde om 11.000 ton granulaat te storten. Dit granulaat is gestort binnen tien meter van het raadhuis, waarbij een terp (een grote heuvel) is ontstaan. Door deze storting is het raadhuis verzakt, waardoor de gemeente schade heeft geleden. De gemeente is een procedure gestart om die schade te verhalen, waarbij zij een aantal partijen heeft gedagvaard, waaronder Neptune en SCI.
Er spelen tevens twee vrijwaringszaken: één waarin Neptune SCI in vrijwaring heeft opgeroepen, en één waarin SCI alle andere gedaagden – inclusief Neptune – in vrijwaring heeft opgeroepen. Van belang is dat in de vrijwaring waarin Neptune eiseres is, SCI tevens reconventionele vorderingen heeft ingesteld. SCI is dus feitelijk betrokken in twee afzonderlijke vrijwaringsprocedures jegens Neptune.
In eerste aanleg is voor recht verklaard dat SCI aansprakelijk is jegens de gemeente voor de schade aan het raadhuis. Alle vorderingen tegen de andere betrokken partijen zijn afgewezen. Ook alle vorderingen in de vrijwaringsprocedures zijn afgewezen.
Tegen dat oordeel van de rechtbank in de hoofdzaak komt SCI in hoger beroep. In dit hoger beroep is de gemeente geïntimeerde in de hoofdzaak. Er wordt ook in hoger beroep gekomen tegen de oordelen in de vrijwaringszaak (of zaken, later meer) tussen SCI en Neptune.
In de hoofdzaak in hoger beroep stelt SCI dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gemeente. SCI zou immers niet verantwoordelijk zijn geweest voor de keuze van de locatie. Neptune had deze aangewezen, en daar moest SCI het mee doen, aldus SCI. Daar gaat het hof niet in mee. Zelfs als het zo is dat de locatie is aangewezen door Neptune, dan nog rust op SCI een zorgplicht om een storting van 11 miljoen kilo granulaat uit te voeren zonder schade aan eigendommen van anderen, aldus het hof.
SCI grieft tevens tegen de toerekenbaarheid. SCI stelt dat zij niet beschikte over de benodigde geotechnische kennis om de schade te kunnen voorzien. Er bestond voor SCI dan ook geen aanleiding om nader onderzoek te doen of voorzorgsmaatregelen te treffen. SCI zou immers de instructie hebben gekregen van Neptune om de storting uit te voeren. Daarbij mocht zij ervan uitgaan dat Neptune het benodigde onderzoek had verricht, aldus SCI. Ook dat argument volgt het hof niet. Het hof oordeelt juist dat, als SCI inderdaad niet beschikte over de benodigde kennis van de belastbaarheid van de grond, zij daarmee welbewust – zeker gezien het gewicht van de grond en de beperkte oppervlakte – het risico heeft genomen schade aan het raadhuis te veroorzaken.
Het oordeel in de hoofdzaak is dus dat SCI aansprakelijk is jegens de gemeente voor de schade die veroorzaakt is door de storting van de granulaat.
SCI is ook in hoger beroep gekomen tegen de afwijzing van de vorderingen in de vrijwaringszaken jegens Neptune. Saillant daarbij is dat SCI ogenschijnlijk niet scherp had dat zij in de vrijwaringszaak waarin Neptune eiser was, een reconventionele vordering had ingesteld. SCI heeft in haar grieven dus enkel verwezen naar de vrijwaringszaak waarin zij zelf eiser was. Het primaire verweer van Neptune is dan ook dat de vorderingen moeten afstuiten op het gezag van gewijsde van de afwijzing van de reconventionele vordering in de eerste aanleg. Toch gaat het hof daar niet in mee. Het hof oordeelt dat de aanduiding ‘eiser in vrijwaring’ van de conclusie in de memorie van SCI betekent dat zij van beide zaken in hoger beroep komt. Het hof lijkt SCI daarmee het voordeel van de twijfel te geven.
Subsidiair verweert Neptune zich tegen de vrijwaring met de stelling dat in eerste aanleg is geoordeeld dat Neptune niet aansprakelijk is (jegens de gemeente). Omdat tegen dat oordeel geen hoger beroep is ingesteld, zou onherroepelijk vaststaan dat Neptune in zijn geheel niet aansprakelijk is en dit zou moeten doorwerken in de verhouding met SCI. Met die stelling maakt het hof terecht korte metten; de vrijwaringszaak is immers een op zichzelf staande procedure. De hoofdzaak tussen de gemeente en Neptune beïnvloedt niet (althans niet direct) de (processuele) verhouding tussen SCI en Neptune.
Het hof komt dus toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vrijwaringszaak. Het hof oordeelt dat SCI haar aansprakelijkheid toch niet geheel of deels kan doorleggen aan Neptune. Dit omdat het hof Neptune volgt in de stelling dat in een aanvulling bij de koopovereenkomst contractueel is overeengekomen dat Neptune wordt gevrijwaard door SCI voor alle schade die volgt uit de litigieuze granulaatstorting.
SCI heeft zich, in (vrijwel) al haar stellingen proberen te verschuilen achter Neptune. Het hof gaat daar echter niet in mee en komt tot het oordeel dat SCI alleen aansprakelijk is voor alle schade. Het is de vraag of het de meest effectieve processtrategie is om zowel in de hoofdzaak als in de vrijwaringszaken het verweer volledig te baseren op de betrokkenheid van een andere partij. Immers, als het hof inderdaad meent dat de schade (vooral) aan Neptune is toe te rekenen, dan heeft zij in de vrijwaringszaak al voldoende ruimte voor dat oordeel. Eventuele aanvullende verweren in de hoofdzaak die geen betrekking hebben op de rol van Neptune, hadden SCI mogelijk kunnen behoeden van (een deel van haar) aansprakelijkheid. Nu het hof van oordeel is dat Neptune geen blaam treft, staat SCI in de rechtsverhouding met Neptune én in de rechtsverhouding met de gemeente met lege handen.
Keywords
Auteur(s)
