Wetsvoorstel implementatie richtlijn herziening productaansprakelijkheid
Blog
Op 9 december 2024 is de nieuwe Richtlijn Productaansprakelijkheid (EU) 2024/2853 (‘Richtlijn’) in werking getreden. De Richtlijn volgt de oude Richtlijn Productaansprakelijkheid 85/374/EEG op. Lidstaten van de EU hebben tot 9 december 2026 de tijd om de Richtlijn om te zetten in nationale wetgeving. De Nederlandse wetgever is snel in de pen geklommen en publiceerde op 24 april 2025 een wetsvoorstel voor implementatie van de Richtlijn. De nieuwe regels brengen ingrijpende wijzigingen mee voor producenten, verkopers, dienstverleners en consumenten. In deze blog bespreken wij de kernpunten van het wetsvoorstel.
Verruiming kernbegrippen
Het wetsvoorstel introduceert een nieuw artikel 6:184a BW, waarin de definities uit de Richtlijn worden vastgelegd. Daarbij wordt het begrip ‘product’ aanzienlijk uitgebreid: voortaan vallen ook digitale fabricagedossiers en software onder deze term. Onder software worden onder andere besturingssystemen, firmware, computerprogramma’s, applicaties en AI-systemen verstaan. Digitale fabricagedossiers kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op boormachines, draaibanken, molens en 3D-printers.
Hoewel de Richtlijn diensten op zichzelf niet reguleert, breidt het wetsvoorstel de risicoaansprakelijkheid uit naar digitale diensten die zodanig in een product zijn geïntegreerd of daarmee onderling zijn verbonden dat het product zonder die dienst een of meer van zijn functies niet meer kan vervullen. Denk bijvoorbeeld aan applicaties die samenwerken in combinatie met een glucosesensor om de bloedsuikerspiegel van diabetespatiënten te meten. In haar consultatie op het wetsvoorstel noemt de Consumentenbond de verruiming van het productbegrip een stap vooruit, maar waarschuwt dat digitale producten zoals opensource en zelflerende AI kwetsbaar blijven zonder nadere verfijning in de implementatiewet en aansluiting op (aankomende) AI-wetgeving.
Verruiming aansprakelijke partijen
Artikel 6:184a BW introduceert het nieuwe begrip ‘marktdeelnemer’ en verruimt daarmee de kring van aansprakelijke partijen aanzienlijk. In het bijzonder zal de fulfilmentdienstverlener als marktdeelnemer en dus (onder omstandigheden) als mogelijk aansprakelijk te stellen partij in artikel 6:187 BW worden opgenomen. Wanneer een natuurlijk persoon of rechtspersoon minstens twee van de volgende diensten aanbiedt: opslag, verpakking, adressering en verzending (zonder eigenaar van het product te zijn), kwalificeert deze (rechts)persoon als fulfilmentdienstverlener (artikel 4 sub 13 Richtlijn).
Een marktdeelnemer kan aansprakelijk worden gesteld voor schade door een gebrekkig product wanneer het gebrek voortkomt uit bijbehorende diensten, software (waaronder updates en upgrades), het ontbreken van noodzakelijke updates of ingrijpende wijzigingen, mits de fabrikant daarover zeggenschap heeft. Heeft de fabrikant zeggenschap, dan kan hij niet aan aansprakelijkheid ontkomen door aan te voeren dat het gebrek is ontstaan nadat het product in de handel is gebracht.
Wegnemen franchise van € 500 bij zaakschade
Het wetsvoorstel schrapt de € 500 franchise bij zaakschade uit artikel 6:190 BW die voor de producent geldt. Daarmee verdwijnt ook de mogelijkheid voor consumenten om schade onder dit bedrag te verhalen op de verkoper of bezitter (o.a. via artikel 7:24 BW en artikel 6:173 BW).
Voortaan kunnen consumenten kleinere schades alleen nog verhalen op de producent, tenzij de verkoper het gebrek kende of behoorde te kennen of de afwezigheid van het gebrek heeft toegezegd. De Consumentenbond heeft in dat kader in consultatie haar zorgen geuit over deze beperking van verhaalsmogelijkheden voor consumenten.
Toegang tot bewijsmateriaal en bewijslast
Artikel 9 Richtlijn geeft consumenten in een schadeprocedure het recht om via de rechter toegang te eisen tot relevant bewijsmateriaal, ook als dat bedrijfsgeheimen bevat (lid 4 en 5). Die bevoegdheid geldt andersom ook. Ook de gedaagde kan toegang tot relevant bewijs van de consument vragen.
De Nederlandse wetgever ziet geen noodzaak om de nationale wet aan te passen en acht bestaande bepalingen de artikelen 194 en 195 Rechtsvordering (‘Rv’) uit het nieuw Bewijsrecht afdoende. Bij de omzetting van artikel 10 lid 2 t/m 5 Richtlijn naar artikel 6:188 BW introduceert de wetgever het begrip ‘relevant bewijsmateriaal’, zonder dit nader te definiëren. The American Chamber of Commerce wijst er in haar consultatie op dat dit kan leiden tot rechtsonzekerheid en het risico vergroot dat vertrouwelijke bedrijfsinformatie onbedoeld bij claimanten terechtkomt.
Daarnaast spreekt de Europese wetgever in artikel 10 Richtlijn over ‘aantonen’ en vertaalt de Nederlandse wetgever dit naar ‘aannemelijk maken’. Deze termen hebben naar Nederlands recht een andere juridische betekenis. Die keuze kan daarom tot interpretatieproblemen leiden. Het VNO-NCW MKB Nederland uit in haar consultatie op het wetsvoorstel zorgen over deze mogelijke onduidelijkheid en roept de wetgever op tot verduidelijking.
Overige wijzigingen
Artikel 5 lid 2 sub a van de Richtlijn bepaalt dat vorderingen op grond van de Richtlijn ook moeten kunnen worden ingesteld door een persoon die krachtens het Unie- of nationale recht of krachtens een overeenkomst in de rechten van de benadeelde is getreden of in diens rechten is gesubrogeerd. Op grond van de Tijdelijke Regeling Verhaalsrechten ex artikel 6:197 BW kan een schadeverzekeraar die de schade van haar verzekerde heeft vergoed niet op grond van artikel 7:962 BW subrogeren in de rechten van haar verzekerde en daardoor geen verhaal nemen op de producent. De Tijdelijke Regeling Verhaalsrechten ex artikel 6:197 BW staat dus op gespannen voet met de Richtlijn. Om strijd met (het doel van) de Richtlijn te voorkomen wordt voorgesteld om artikel 6:185 BW uit de Tijdelijke Regeling Verhaalsrechten ex artikel 6:197 BW te schrappen. Hierdoor kunnen regresnemers zoals verzekeraars voortaan ook een beroep doen op artikel 6:185 BW. In consultatie zijn hierover geen bezwaren geuit.
Verder laat de Nederlandse wetgever de mogelijkheid tot introductie van een compensatieregeling, zoals geboden in artikel 8 Richtlijn, liggen. In de memorie van toelichting wordt uitsluitend verwezen naar het niet-verplichte karakter van deze bepaling. Een mogelijke invulling zou zijn een nationaal schadefonds om benadeelden te compenseren voor schade veroorzaakt door gebrekkige producten wanneer geen van de marktdeelnemers aansprakelijk kunnen worden gesteld, insolvent zijn of niet meer bestaan. Nederland kent al een vergelijkbare regeling met het Schadefonds Geweldsmisdrijven, zij het in een andere context. De Richtlijn merkt daarbij op dat dergelijke regelingen bij voorkeur niet met overheidsmiddelen worden gefinancierd, wat de invoering ervan in de praktijk extra complex maakt.
Ook het ontwikkelingsrisicoverweer blijft overeind. Een marktdeelnemer is dus niet aansprakelijk indien het onmogelijk was om het gebrek naar de objectieve stand van de wetenschap op het tijdstip van het in de handel brengen te kennen.
Relatie met Verordening productveiligheid (EU) 2023/988
De nieuwe Verordening Productveiligheid (EU) 2023/988 (‘Verordening’) is sinds 13 december 2024 van kracht.
De Verordening en de Richtlijn zijn nauw verbonden. De Verordening heeft tot doel de werking van de markt binnen de Europese Unie te verbeteren en tegelijkertijd een hoog niveau van consumentenbescherming te bieden. Door veiligheidsvereisten voor marktdeelnemers te stellen, waarborgt de Verordening dat non-foodproducten veilig op de markt worden gebracht en veilig blijven. De Richtlijn regelt de aansprakelijkheid van marktdeelnemers wanneer producten gebrekkig (ofwel onveilig) blijken. Daarnaast stimuleert zij nieuwe technologieën, zoals AI, en beoogt tegelijkertijd een hoog niveau van consumentenbescherming te behouden. Ook creëert zij rechtszekerheid en een gelijk speelveld voor bedrijven en zorgt zij voor samenhang en consistentie met wetgeving inzake productveiligheid en markttoezicht. Kortom, de Verordening waarborgt veiligheid vooraf en de Richtlijn regelt aansprakelijkheid achteraf.
De definities in de Richtlijn sluiten aan bij die in de Verordening. Daarnaast maken beide regelingen gebruik van bewijsvermoedens ter bescherming van consumenten. Zo wordt een product vermoed gebrekkig te zijn wanneer de consument aantoont dat het product niet voldoet aan de publiekrechtelijke regels omtrent productveiligheid voor dat specifieke product. De samenhang tussen beide regelingen zal van groot belang zijn in toekomstige praktijk en procedures. In haar consultatie waarschuwt de U.S. Chamber Institute for Legal Reform dat de Richtlijn overlapt met bestaande EU-regelgeving, waaronder productveiligheidregels, zoals de Verordening Productveiligheid. Dit zou volgens de U.S. Chamber Institute for Legal Reform kunnen leiden tot overlappende en mogelijk tegenstrijdige verplichtingen op gebieden als financiële dienstverlening, gezondheidszorg, vervoer en gegevensbescherming en in de weg staan aan effectieve schadevergoeding.
Conclusie
Het wetsvoorstel markeert de implementatie van de Richtlijn. De wetswijzigingen zoals uitbreiding van het aansprakelijkheidsbereik en de afschaffing van de franchise zullen merkbare gevolgen hebben voor producenten, verkopers, dienstverleners en consumenten. Zoals gezegd, hebben lidstaten tot 9 december 2026 de tijd om de Richtlijn om te zetten in hun nationale wetgeving. De Richtlijn is nog niet geïmplementeerd in het BW, daarom geldt op dit moment nog steeds de huidige wettekst uit artikel 6:185 e.v. De Richtlijn zal van toepassing zijn op producten die na 9 december 2026 ‘in de handel zijn gebracht’, maar het is mogelijk dat de Nederlandse wetgever de Richtlijn al eerder omzet in nationale wetgeving. In de aanloop naar 2026 is het van belang om deze ontwikkelingen goed te blijven volgen.
Keywords
Auteur(s)

