09 Feb 2026
blog

Verjaring en polisdekking onder de AVB: wat leert het arrest van de Hoge Raad van 14 november 2025 ons (en wat niet)?

Blog

In het arrest van 14 november 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1686) heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over het moment waarop de verjaringstermijn van artikel 7:942 lid 1 BW begint te lopen bij aansprakelijkheidsverzekeringen.

Artikel 7:942 lid 1 BW bepaalt dat een rechtsvordering jegens de verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart na verloop van drie jaar na de aanvang van de dag, volgende op de dag waarop de tot uitkering gerechtigde (doorgaans verzekerde) met de opeisbaarheid van die vordering bekend is geworden. In deze blog bespreken wij de kernpunten van dit arrest alsmede de wijze waarop het arrest zich verhoudt met 1) de uitleg die gegeven moet worden aan brieven van de benadeelde aan de verzekerde en 2) de meldplicht die de verzekerde heeft onder de aansprakelijkheidsverzekering.

Casus en procedure in feitelijke instanties

Op 4 november 2009 raakt een werkneemster van Rabobank tijdens haar werkzaamheden betrokken bij een eenzijdig verkeersongeval. Vervolgens ontvangt Rabobank op 24 september 2014 een brief van de advocaat van de werkneemster waarin het volgende is vermeld:

 

“Mijn kantoor behartigt de belangen van [werkneemster] in verband met de gevolgen van het haar in november 2009 overkomen verkeersongeval (…). Cliënte stelt zich op het standpunt dat u zich na het ongeval niet als goed werkgever heeft opgesteld. Ter voorkoming van verjaring van haar eventuele vorderingsrecht heeft zij mij verzocht u te berichten dat zij ter zake hiervan ondubbelzinnig haar rechten op nakoming voorbehoudt. Gelieve deze brief daarom aan te merken als een stuitingsmededeling in de zin van artikel 3:317 BW.”

 

Pas op 25 juni 2018 volgt een brief waarin Rabobank ondubbelzinnig aansprakelijk wordt gesteld omdat zij in strijd met het bepaalde in artikel 7:611 BW zou hebben gehandeld door geen behoorlijke, aanvullende verzekering ten behoeve van haar werknemers af te sluiten. Rabobank treft een minnelijke regeling met de werkneemster en vordert vervolgens vergoeding onder haar aansprakelijkheidsverzekering bij Zurich.

 

In eerste aanleg stelt Zurich zich primair op het standpunt dat de vordering van Rabobank is verjaard. Volgens Zurich was de vordering van Rabobank opeisbaar vanaf het ongeval, dan wel vanaf de datum van ontvangst van de brief van 24 september 2014. Rabobank betoogt daarentegen dat de vordering pas opeisbaar was toen zij op 25 juni 2018 daadwerkelijk aansprakelijk werd gesteld.

 

Zowel de rechtbank als het hof hebben het verjaringsverweer van Zurich verworpen. Zij volgen Rabobank in het standpunt dat zij de brief van 24 september 2014 redelijkerwijs niet heeft hoeven opvatten als een aansprakelijkstelling en dat de verjaringstermijn pas is gaan lopen na ontvangt van de brief van 25 juni 2018. Daarbij oordeelt het hof dat uit de tekst van de brief van 24 september 2014 niet volgt dat het om een aansprakelijkstelling gaat. Immers, in de brief wordt verwezen naar het ‘eventuele’ vorderingsrecht van de werkneemster en de brief bevat het expliciete verzoek van de advocaat om deze als stuitingsmededeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW aan te merken. Het hof benadrukt in dit verband dat een stuitingsmededeling (ook) gedaan kan worden alsnog niet vaststaat dat degene die de mededeling doet daadwerkelijk een vordering heeft op de schuldenaar. Zurich heeft cassatie ingesteld.

 

Oordeel Hoge Raad en betekenis voor de praktijk

Ook bij de Hoge Raad vangt Zurich bot. De Hoge Raad oordeelt dat in geval van een aansprakelijkheidsverzekering de verjaringstermijn van artikel 7:942 lid 1 BW pas begint te lopen nadat de verzekerde door de benadeelde aansprakelijk is gesteld. Daarvoor is nog geen sprake van een opeisbare vordering op de verzekeraar.

 

Het oordeel van de Hoge Raad sluit aan bij de wetsgeschiedenis van artikel 7:942 lid 1 BW waarin is benadrukt dat zolang een benadeelde de verzekerde nog niet aansprakelijk heeft gesteld, de verzekerde slechts een voorwaardelijke, niet-opeisbare vordering op zijn aansprakelijkheidsverzekeraar heeft.1 Voor de onderhavige zaak betekent dit dat de verjaringstermijn van drie jaar van de vordering van Rabobank tegen haar aansprakelijkheidsverzekeraar pas is aangevangen vanaf de aansprakelijkstelling in de brief van 25 juni 2018.

 

De door Zurich opgeworpen klachten tegen het oordeel van het hof dat Rabobank de brief van 24 september 2024 redelijkerwijs niet heeft hoeven opvatten als een aansprakelijkstelling, heeft de Hoge Raad ongemotiveerd verworpen op grond van artikel 81 lid 1 RO.

 

Het arrest van de Hoge Raad verschaft duidelijkheid op een belangrijk punt: het moment van aansprakelijkstelling is bepalend voor de aanvang van de driejaarstermijn van artikel 7:942 lid 1 BW. Twee vragen blijven echter open: wat kwalificeert als een aansprakelijkstelling, en hoe verhoudt het oordeel van de Hoge Raad zich tot de meldplicht van de verzekerde uit artikel 7:941 BW en de omstandighedenmelding?

 

Aansprakelijkstelling?

De Hoge Raad heeft in 20172 geoordeeld dat de uitleg van een brief dient plaats te vinden aan de hand van de wilsvertrouwensleer (de artikelen 3:33 en 3:35 BW). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en is de taalkundige betekenis van de in de brief gebruikte bewoordingen niet doorslaggevend. Het gaat erom welke zin de ontvanger redelijkerwijs aan de brief heeft mogen hechten op hetgeen zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft mogen verwachten. Dit betekent dat niet alleen brieven waarin expliciet wordt aangegeven dat sprake is van een aansprakelijkstelling als aansprakelijkstelling kunnen kwalificeren.

Aan de hand van uitleg zal steeds moeten worden vastgesteld of een brief als aansprakelijkstelling moet worden aangemerkt.3

 

Een verzekerde wordt daarmee in de (lastige) positie gebracht dat hij telkens (zelfstandig) dient te beoordelen of sprake is van een (impliciete) aansprakelijkstelling die de verjaringstermijn van artikel 7:942 lid 1 BW doet aanvangen.

 

Meldplicht en omstandighedenmelding

Voor het veiligstellen en behouden van verzekeringsdekking is niet alleen (het aanvangsmoment van) de verjaringstermijn van artikel 7:942 lid 1 BW van belang. De verzekerde dient óók rekening te houden met de meldplicht die hij heeft bij (dreigende) aanspraken.

 

De wettelijke regeling van de meldplicht is neergelegd in artikel 7:941 BW. Op grond van deze bepaling is de verzekerde verplicht om, zodra hij van de verwezenlijking van het risico op de hoogte is of behoort te zijn, daarvan mededeling te doen aan de verzekeraar. Deze bepaling is van (semi-)dwingend recht, hetgeen meebrengt dat daarvan niet ten nadele van de verzekerde kan worden afgeweken (artikel 7:943 lid 2 BW).

 

De vraag wanneer dat risico zich heeft verwezenlijkt en aldus een meldplicht ontstaat, vormt – voor zover het de aansprakelijkheidsverzekering betreft – al geruime tijd onderwerp van debat in de literatuur. Enerzijds stellen Van Tiggele-Van der Velde en Hartlief dat de meldplicht reeds ontstaat zodra de verzekerde kennis draagt of redelijkerwijs behoort te dragen van een schadevoorval en – mede gelet op de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden en de reactie van betrokken derden – redelijkerwijs rekening moet houden met de mogelijkheid dat hij aansprakelijk zal worden gesteld.4 Anderzijds verdedigen Stadermann5 en Hendrikse,6 met instemming van Vloemans,7 dat pas bij een daadwerkelijke aansprakelijkstelling sprake is van verwezenlijking van het risico in de zin van artikel 7:941 BW en dat de wettelijke meldplicht dus eerst op dat moment ontstaat.

 

In hun polisvoorwaarden verlangen verzekeraars doorgaans niet alleen melding van concrete aanspraken, maar ook van omstandigheden die kunnen (of zullen) leiden tot een aanspraak (de zogenaamde omstandighedenmelding). Veelal wordt hierbij bedongen dat het niet‑nakomen van deze contractuele verplichting tot verval van het recht op uitkering leidt, mits de verzekeraar daardoor in een redelijk belang is geschaad.

 

De meldplicht gaat dan dus in op een moment waarop nog geen aansprakelijkstelling is ontvangen. Echter, indien de wettelijke meldplicht van artikel 7:941 lid 1 BW – zoals Stadermann, Hendrikse en Vloemans betogen – pas ontstaat bij aansprakelijkstelling rijst de vraag in hoeverre deze in de polisvoorwaarden bedongen vervroeging van de meldplicht verenigbaar is met het (semi-)dwingendrechtelijke karakter van artikel 7:941 BW. In de literatuur zijn hier herhaaldelijk vraagtekens bij gezet.8

 

Het arrest van de Hoge Raad biedt op dit punt geen uitsluitsel. De Hoge Raad heeft slechts geoordeeld over het aanvangsmoment van de verjaring van artikel 7:942 lid 1 BW. Over de meldplicht van artikel 7:941 BW en de omstandighedenmelding wordt met geen woord gerept.

 

Wel kan uit het arrest afgeleid worden dat indien uitgegaan wordt van de opvatting dat uit de wet en/of polisvoorwaarden kan volgen dat een meldplicht al bestaat voordat een aansprakelijkstelling is ontvangen, dit met zich brengt dat de verzekerde een meldplicht kan hebben nog voordat hij een opeisbare vordering onder zijn polis heeft. De opeisbare vordering ontstaat immers pas nadat de verzekerde een aansprakelijkstelling heeft ontvangen. Dit alles heeft als (ultieme) consequentie dat verzekeringsdekking kan komen te vervallen door nalaten (niet-melden) dat plaatsvindt op het moment dat de verzekerde slechts een voorwaardelijke, niet-opeisbare vordering op zijn verzekeraar heeft. De vraag die openblijft is of en in hoeverre dit te verenigen is met (de strekking van) artikel 7:941 BW.

 

Kortom: ook na het arrest van de Hoge Raad blijft er ruimte voor discussie…

 

Noten

1 Kamerstukken II 2007/08, 31518, nr. 3, p. 25.

2 HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:315, r.o. 3.3.1-3.3.2.

3 HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:315, r.o. 3.3.1-3.3.2.

4 Asser/Van Tiggele, Hartlief & Salomons 7-IX 2024/261. Zie in vergelijkbare zin: A.Ch.H. Franken & S.Y.Th Meijer, Verzekering ter beurze (O&R nr. 67) 2017/XII.2.

5 F. Stadermann, ‘De omstandighedenmelding onder ‘claims made’-verzekeringen, een analyse’, NTHR 2010/6, p. 256-257.

6 M.L. Hendrikse, Verzekeringsrecht (R&P nr. VR2) 2023/11.4; M.L. Hendrikse, ‘De gevolgen van art. 79 Ow voor titel 7.17 BW (verzekeringsovereenkomst): een (onverwacht) uitstel van de werking van enige bepalingen van titel 7.17 BW’, NTHR 2009/5, p. 211-213.

7 N. Vloemans, ‘Het moment van (moeten) melden onder een claims-made-aansprakelijkheidsverzekering’, NTHR 2014/1, p. 18.

8 F. Stadermann, ‘De omstandighedenmelding onder ‘claims made’-verzekeringen, een analyse’, NTHR 2010/6, p. 258; M.L. Hendrikse, Verzekeringsrecht (R&P nr. VR2) 2023/11.4: L. Bartels, ‘Circumstance? Over de rol en positie van de omstandighedenmelding op de beroepsaansprakelijkheidsverzekering’, AV&S 2024/13

Keywords

Aansprakelijkheidsverzekering
Aansprakelijkstelling
Meldplicht
Omstandighedenmelding
Verjaring

Auteur(s)

Manon den Hartog

Advocaat bij Van Traa Advocaten

LinkedIn

Isabeau Terlouw

Advocaat bij Van Traa Advocaten

LinkedIn