Discriminatie bij AOV? Enkele oordelen van het College voor de Rechten van de Mens besproken
Blog
Sinds 2016 kan het College voor de Rechten van de Mens beoordelen of sprake is van discriminatie bij AOV. Inmiddels heeft het College hier enkele oordelen over uitgesproken. Tot nu toe is in geen van de zaken aangenomen dat sprake is van discriminatie.
Nederland heeft het VN Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap ondertekend. Dit Verdrag is geratificeerd in de Wet gelijke behandeling chronisch zieken en gehandicapten (WGBH/CZ). Sinds 14 juni 2016 vallen daardoor goederen en diensten, en dus ook arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, onder de wet. Het College voor de Rechten van de Mens heeft sindsdien enkele uitspraken gedaan over arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Tot op heden heeft het College zich hier enkele keren over uitgelaten, maar werd in geen enkel geval discriminatie aangenomen (vgl. CRM 10 januari 2020, nr. 2020-1; CRM 13 december 2022, nr. 2022-150).
Op 11 februari 2025 (nr. 2025-12) oordeelde het College opnieuw dat verzekeraar niet discrimineerde op grond van handicap of chronische ziekte door een collectieve arbeidsongeschiktheidsverzekering niet tot uitkering te laten komen. Wat was het geval? Een man werkte op een school en werd ziek waardoor hij niet meer kon werken. Kort daarop sloot de school met verzekeraar een collectieve arbeidsongeschiktheidsverzekering af voor het personeel. De man bleef arbeidsongeschikt tot hij ruim twee jaar later uit dienst ging. Verzekeraar weigerde dekking en schreef dat de verzekering was ingegaan toen hij ziek was. Daarom keerde verzekeraar niet uit. De man was immers al voor de ingangsdatum van de verzekering ziek. De man vond dat discriminatie. Het College voor de Rechten van de Mens oordeelde dat dat niet het geval was. Verzekeraar mocht bij het uitvoeren van de verzekering op zichzelf geen onderscheid maken op grond van handicap of chronische ziekte maar dat deed hij volgens het College ook niet. Verzekeringen dekken alleen schade die is ontstaan door een onzeker voorval. Omdat de man voor de ingangsdatum van de verzekering al arbeidsongeschikt was voldoet zijn situatie dus niet aan dit principe. Bovendien bood verzekeraar in zijn voorwaarden de mogelijkheid om de dekking te herstellen als een verzekerde minimaal 28 dagen hersteld en werkzaam was geweest. Echter, de man voldeed ook aan dat criterium niet. Verzekeraar had volgens het CRM dan ook geen verboden onderscheid gemaakt jegens de man op grond van handicap of chronische ziekte.
In gelijke zin oordeelde het College voor de Rechten van de Mens bij beslissing van 15 december 2025 (nr. 2025-135). Verzekeraar discrimineerde naar de overtuiging van het College niet door de aanvraag van een vrouw af te wijzen. De vrouw kampte met ADHD en had in het verleden een chronische PTSS gehad. Daarnaast had zij een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met trekken van een vermijdende en dwangmatige persoonlijkheidsstoornis. De aanvraag tot het aangaan van een AOV werd door de verzekeraar afgewezen vanwege een hoog risico op arbeidsongeschiktheid. De vrouw nam daarmee geen genoegen en diende een klacht in bij het College voor de Rechten van de Mens. De klacht werd afgewezen. Een verzekeraar mag volgens het College bij de beoordeling van een ter verzekering aangeboden risico rekening houden met de risico’s op uitkering van de verzekering. Het College oordeelde dat geen sprake was van directe discriminatie. Volgens het College was sprake van indirect onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte, omdat het criterium van een hoog risico weliswaar niet direct te maken heeft met een handicap of chronische ziekte, maar dat wel vaststaat dat mensen met een handicap of chronische ziekte vaker een hoog risico op arbeidsongeschiktheid hebben. Het directe onderscheid kon de verzekeraar rechtvaardigen door een goede reden. Voorkomen moet immers worden dat de premies van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen te hoog worden. Dat gebeurt namelijk op het moment dat de verzekeraar veel mensen een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid moet betalen. Door mensen uit te sluiten die een hoog risico op arbeidsongeschiktheid hebben bereik je dat doel, aldus het College. Daarmee is die maatregel volgens het College dus passend. Een alternatief middel, bijvoorbeeld in de vorm van een hogere premie of een uitsluitingsclausule, werkt volgens het College niet. De risico’s voor de aandoeningen die de vrouw had zijn namelijk lastig te ondervangen met een clausule. Ook het verhogen van de premie zou nooit de kosten van de verzekering dekken. Zo oordeelde het College dat het belang van de verzekeraar groter was dan het belang van de vrouw, omdat op dit moment te weinig data beschikbaar zijn om meer rekening te houden met de individuele omstandigheden van de verzekerde. Het laag houden van de risico’s is namelijk niet alleen van belang voor de verzekeraar, maar heeft ook invloed op de premies van de andere verzekeringnemers, aldus het College.
Keywords
Auteur(s)
